U bent hier: HomeGeschiedenisAubert-TilloOver Aubert-Tillo → Tekst begrafenis Aubert-Tillo van Biervliet

Deze tekst werd in naam van de Vereniging Familie Van Biervliet uitgesproken door Luk Vanbiervliet bij de begrafenis van Aubert-Tillo van Biervliet, op 24 november 2004.

Bij het overlijden van Dom Aubert-Tillo van Biervliet, o.s.b.

In naam van de vereniging “Familie Van Biervliet” dank ik u voor uw aanwezigheid op de uitvaart van onze geliefde kozijn Dom Aubert-Tillo van Biervliet.
Wij bieden ook onze oprechte christelijke deelneming aan aan onze familietak uit Gits en aan de monniken van de Sint-Pietersabdij.

Dom Aubert-Tillo was een man met veel talenten en hij heeft deze niet begraven, maar gebruikt ten dienste van de Heer en de gemeenschap.

Hij was vooreerst monnik en priester. Hier in deze abdij heeft hij zo dikwijls aan het altaar gestaan, als voorganger, als concelebrant, als predikant en als zegengever.

Maar hij was ook een zoeker en een schrijver. Iedereen die al eens een artikel ter publicatie van hem kreeg, weet dat hij wellicht duizenden vellen papier heeft volgeschreven met zijn kramiekele schrijfmachine, met dat bijna altijd versleten machinelint. En als hij dan het papier opstuurde, schreef hij er dan meestal nog met de hand de marge vol. Hij was onstuitbaar in zijn ijver. En de geschiedenis zal er wel bij varen. Hij was heem- en volkskundige, genealoog, hagiograaf en geschiedschrijver. Ontelbare artikels zijn door hem geschreven voor Kerk en Leven, voor de heemkundige kringen en in 't bijzonder over zijn geliefde gemeente Gits, voor de Familie Van Biervliet, voor 't Manneke uit de Mane, voor de Verschaeviana, voor de Stichting Joris van Severen, over de geschiedenis van de Sint-Pietersabdij, over het Stevenisme, en niet in het minst over de heiligen van de Nederlanden.

Van waar kwam dan toch zijn gedrevenheid?
Dom Aubert-Tillo was het voorbeeld van Liefde en van Trouw. Twee fundamenten waarop hij zijn gehele leven heeft opgebouwd vanuit zijn jeugd met de steun van zijn voorbeeldige vader, zijn eerste en zijn tweede moeder, tot aan zijn dood. Zijn jeugdidealen heeft hij nooit verloochend. Zodoende bleef hij ook jong van geest, zelfs als zijn lichaam niet meer meewilde.

Zijn liefde tot de Heer heeft hij voortdurend beoefend door vooreerst in te treden in de Orde van de Benedictijnen te Steenbrugge. Als priester was het altaar de plaats waar hij zijn liefde alle dagen kon belijden. Zijn liefde tot Onze Lieve Vrouw van Vlaanderen uitte hij in zijn oprechte devotie. Ook voor de heiligen van de Nederlanden was hij meer dan hagiograaf. Hij bewonderde zijn heiligen omdat hij hen ook innig liefhad.
En zijn liefde was tweeërlei, zoals de Heer had geboden: Bemin bovenal uw God en bemin uw naaste zoals uzelf om God.
Zijn naaste vond hij overal. Als medepastoor had hij zijn noodlijdende naasten lief en trachtte hen te helpen met alle middelen die hij maar kon. Hij was hierin een Franciscus van Vlaanderen. Hij had een hart van koekebrood, een groot hart van een groot koekebrood. Niet alleen zijn materiële hulp, maar ook zijn gebed en zijn vriendelijke woorden waren voor velen de opkikker die zij nodig hadden. Hij had de kinderen en de ouderen lief. De noodlijdenden konden op hem rekenen. Hij kwam hen niet toevallig tegen, maar zocht ze zelf op: de zieken, de ouderen, de jonge gezinnen, en ook de getroffenen van de gruwelijke en laffe, anti-Vlaamse en anti-katholieke repressie, waaraan ook zijn en onze geliefde vader abt Dom Modest van Assche is ten onder gegaan.

Zijn trouw was hem door zijn christelijke opvoeding ingegeven. Naar het voorbeeld van zijn ouders te Gits en als student van het vermaarde klein Seminarie te Roeselare werd hij doordrongen van een onwrikbare trouw aan de gronbeginselen van ons volk en onze kerk. Trouw was geen ijdel woord, maar was zijn keuze zonder compromissen!
Hij was trouw aan zijn geboortedorp Gits, trouw aan zijn kloosterbeloften, die hij zelfs hernieuwde naar aanleiding van zijn gouden professiejubileum.
Hij was trouw ook aan zijn Kerk, zelfs als haar bedienaars niet zo trouw bleken te zijn.
Hij was trouw aan de Blauwvoeterie, aan de Vlaamse beweging, aan zijn Vlaanderen, zijn volk en zijn vaderland. Hij was trouw aan de IJzerbedevaart en vooral aan het AVV-VVK.
Hij was trouw aan zijn kloostergemeenschap en niet in het minst was hij trouw aan zijn Vader-abt Dom Modest van Assche.
Hij was ook trouw aan zijn familie. Op zijn aanbevelen, werd bovenop onze vlaggestok de Iep-rhune ingebouwd in de cirkel van de trouw, dezelfde cirkel die ook in het wapenschild van zijn geboortedorp Gits stond. Wij konden als familieleden altijd op hem rekenen zowel voor artikels over genealogie als om voor te gaan aan het altaar ter gelegenheid van onze familiereüuuml;nies. Zowel rechtstreekse familieleden als bloedverwanten langs vrouwelijke kant, zelfs van het zoveelste knopsgat waren voor Aubert-Tillo allemaal nichten en kozijns.

Beste kozijn Aubert-Tillo,

Wij zijn blij dat wij met u een heel stuk van ons leven zijn mogen meegaan. Wij danken u voor uw voorbeeld van Liefde en Trouw. U zal in onze annalen en ook deze van vele andere verenigingen geboekstaafd blijven. U zal en u kan niet vergeten worden.
Uw lichaam zal na een laatste zegening toevertrouwd worden aan de aarde, waar het in vrede moge rusten.
Uw ziele is zeker in de hemel, bij onze geliefde Heer, bij Onze Lieve Vrouwe van Vlaanderen, bij alle door u vereerde heiligen der Nederlanden, niet in het minst bij uw patroon, de Heilige Tillo van Gits en bij onze Zalige Joris van Biervliet, bij uw overleden medebroeders en bij Vader-abt Modest van Assche, bij uw ouders, zuster en broer, bij onze voorouders en bij alle onze nichten, kozijns en Vlaamse vrienden, die ons zijn voorgegaan.
Voor ons is dit geen afscheid, kozijn Aubert-Tillo, maar een tot weerziens op de grote Familiereünie bij de Heer.

Ir. Luk van Biervliet