U bent hier: HomeGeschiedenisAubert-TilloPublicaties → Sint-Maarten

Hieronder vindt u een uittreksel uit een boek van Aubert-Tillo van Biervliet.

Het leven van Sint-Maarten

“Het leven van Sint-Maarten, soldaat op bevel, bisschop door plicht, monnik door eigen keuze, werd geschreven door zijn tijdgenoot Sulpitius Severus, die zegt dat geen Homeros bij machte is zijn daden te beschrijven, en twee eeuwen later door Gregorius van Tours.

Martinus werd in 316-317 geboren te Sabaria in Pannonië (Szombathely in Hongarije) als zoon van een heidens krijgstribuun. Vandaar verhuist het gezin naar Pavia voor Martinus' militaire opleiding.

Aan 15 jaar legt hij volgens vaders wil de militaire eed af en behoort tot de keizerlijke wacht te paard. Dank aan vaders lange arm is hij aan 17 circitor met een dubbele wedde en bereikt een hogere plaats in het leger.

Tegen vaders gedacht echter is hij reeds aan tien jaar geloofsleerling, en uit de tijd, dat hij bij de keizerlijke wacht is, dateert het bekende feit van Amien. Martinus, die reeds in het hart volop christen is, snijdt met het zwaard zijn mantel door en geeft de helft aan een naakte bedelaar. De volgende nacht ziet hij in een droom Christus, met dit stuk mantel bekleed, die zegt: ‘Martinus, nog geloofsleerling, heeft Mij met deze mantel bekleed.’ Reeds als soldaat is hij monnik en behandelt de slaaf die hem is geschonken als zijn broer. Hij wordt gedoopt op Pasen 339 en bij de veldtocht van keizer Constantius in 354 tegen de Alemannen verlaat hij het leger.

Daarop gaat Martinus naar de Heilige Hilarius, bisschop van Poitiers en, wanneer deze in 356 door ariaanse drijverijen in ballingschap wordt gezonden, naar Pannonië waar hij zijn moeder bekeert. Bij de terugkeer van Hilarius in Poitiers gaat hij naar hem toe en sticht het klooster Ligugé, het eerste in Gallië.

De opwekking van een dode catechumeen zal het begin worden van zijn roem. Uit zijn klooster gelokt, zogezegd om een zieke te genezen, wordt hij tegen wil en dank op 4 juli 371 tot bisschop van Tours gewijd. In 375 sticht hij de abdij van Marmoutiers, waar hij zich graag in de eenzaamheid terugtrekt, en dat tevens een soort seminarie wordt.

Ofschoon Martinus in zijn hart monnik bleef, belette dit hem niet in een eeuw van verval, met verkapt heidendom, een onverschrokken bisschop te zijn.
Door zijn eenvoud en ootmoed, die fel afstak bij de praal van de Gallo-Romeinse prelaten, en omkranst met de faam van wonderen, won hij machtigen engeringen voor de Kerk.
Hij was steeds waardig in zijn betrekkingen met de machtigen, zelfs met keizers, vooral met Maximus met wie hij bevriend was en die hij te Trier bezocht om genade voor de Priscillanen af te smeken.
Hij was vijand van dwaling maar vriend van de mensen, ook van hen die dwaalden.

Zijn laatste levensjaren waren door strijd en tegenslag gekenmerkt: opstandige en aristocratische prelaten, minnaars van paarden en door slaven omgeven, moeilijkheden in verband met de priscillanen, voorrang van de kerken.

Hij stierf te Candes, waar hij een geschil onder geestelijken kwam bijleggen, op 8 november 397, met de beroemde woorden: ‘Heer, als ik voor uw volk nog nodig ben, ik weiger het lijden niet. Uw wil geschiede!’

Martinus, een der eerste niet-martelaars, die als heilige werd vereerd, werd gelijkgesteld met de apostelen. Zijn graf te Tours was het grote pelgrimsoord van de Franken.
Ook bij ons wordt Sint-Maarten vereerd.
Veel kerken zijn aan hem toegewijd.
Wij kennen onze Sint-Maartensvuren, Sint-Maartensavond en op veel plaatsen neemt hij de plaats in van Sint-Niklaas.

Martinus is Latijn en betekent 'van Mars' (oorlogsgod).
Wij kennen de vormen Maarten, Merten, Martien, Martijn, Marlin en de vrouwelijke vorm Martina.

Uit: Aubert-Tillo van Biervliet o.s.b., Heiligen uit de Nederlanden. Tabor – Brugge, 1985. 104-105..