Zoë; vr.
Grieks zoè, zooè ‘leven’. — Door de alexandrijnse joden werd de naam gebruikt als een
vertaling van Eva (Withycombe); later kwam hij ook voor bij de Byzantijnen; het was b.v. de naam van een
byzantijnse keizerin (ca. 978-1050). — Heiligennaam: Zoë, martelares: zij werd met haar man Hesperus en
haar zoons Cyriacus en Theodulus tijdens Hadrianus te Attteleia in Pamfylië gemarteld en aan de vuurdood
onderworpen; kerk. feestdag: 2 mei.
Uit: Aubert-Tillo van Biervliet o.s.b., Mijn naam is... Het grote voornamenboek. Davidsfonds – Leuven, 1997.